Tree

Het laatste Paradijs (fragment 2)

We gingen elke zondag naar de kindermatinee. Mijn vader bracht ons weg in zijn auto. In de Lago Club kregen we een milkshake of een icecream soda. Daarna scheurde mijn vader uit zijn bonnenboekje een paar gekleurde bonnetjes. Daarmee kocht hij chocola en cracker jack voor in de pauze. Papa ging naar huis. Wij zochten een plaats tussen de buurkinderen in de zaal. Iedereen was er: Ann en Maureen Bishop, Sally en Albert Frans, Piola en Rina Benschop, Wanda Hassel. De jongens zaten meestal apart: Tichi en Dotchi Amaya, Rudy en Ralf Benschop, Edgar en Henry Coffi, mijn broertje Ronny. De 900 straat was altijd goed vertegenwoordigd.

De films zaten vol stoomtreinen, kampvuur, rodeo's, postkoetsen die overvallen werden door indianen. Die waren de slechterikken. Ze werden neengeschoten door de grote witte helden op snelle paarden. Veel later begreep ik dat we een verkeerd beeld kregen ingeprent. De inheemse mensen die neergeschoten werden waren de helden. Zij vochten voor hun land. De cow boys waren de slechterikken die vee en land steelden. De cow boys verbrandden de dorpen van de Cree, Apache, Navajo, Crow, Cheyene, Chinookan, Hopi, Wichita, Comanche en de vele andere eerste bewoners van de U.S.A. Pas vele jaren later, toen ik de boeken las van Graig Strete, werd ik mij bewust dat we gebrainwashed waren. Graig Strete was de eerste Cherokee die schreef: Ik ben niet bang om te sterven, ik ben bang om uit te sterven.