VERKEERDE VRIENDEN
|
Ik griezelde. Er werd een soort slakken geserveerd. Bah!
Als vegetariër eet ik geen kadavers en slakken al helemáál niet. Mijn nieuwe vriendin had mij meegenomen naar haar beste vrienden. Kennismaken. Lang van te voren had ze me lekker gemaakt met de geweldige kookkunst van gastvrouw Bea.
Daar zat ik dan.
Ik had al met een sip gezicht aan een dure rode wijn zitten sippen. Met veel moeite probeerde ik mijn mismoedig gezicht achter een waaier woeste krullen te verbergen. Rode wijn! Ik had nog zo gezegd dat ik alleen wit dronk.
'Dus jouw voorouders komen uit vier verschillende werelddelen?' vroeg Bea terwijl ze handig een tang om de schelp klemde. 'Ja,' knikte ik enthousiast,'uit Afrika, Azië, Zuid-Amerika en Europa.' 'Dan ben je niet van een zuivere ras.' reageerde Bea's lover. Hij knipperde met zijn blauwe ogen en streek met beide handen door zijn gemillimeterd blond haar. 'Meid , geen wonder dat ik je niet plaatsen kon.' Bea peuterde een dode slak uit zijn ooit veilige huisje.
Mijn vriendin bette haar voorhoofd met haar damasten servet. Ik keek haar aan. Ze keek weg.
Ik maakte geen aanstalten om de ingenieuze tang, noch de prikker aan te raken. Beide leken me tandarts gereedschappen.
Gastheer Ben stond op. Liep naar het rijdend dienblad dat naast de tafel stond. 'Wie nog wijn?' vroeg hij vrolijk. 'Is er ook wit?' vroeg ik. 'Kan niet!' riep Bea geschrokken, 'we eten haas!'
'Ja maar ik ben vegetariër,' reageerde ik wanhopig. 'Daar heb ik helemaal rekening mee gehouden.' antwoordde Bea met beide handen in de lucht.
Ben stond met de wijnfles tegen zijn borst gedrukt. Hij sloeg zijn blauwe ogen ten hemel.
Met de wijsvinger van haar rechterhand raakte de gastvrouw de pink van haar linkerhand: 'ik heb speciaal voor jou slakken klaargemaakt. Beestjes die lekker vrij rond hebben gekropen. Niks bioindustrie. Niks ingespoten met antibiotica.' De ringvinger was aan de beurt, 'haasje heeft zijn hele leven lekker kunnen rennen door het bos. Geen stress. De soep heb ik getrokken van...'
Ik schudde mijn hoofd. Schoof mijn bord met de koude slakken van mij af. 'Fantastisch dat je zoveel moeite voor mij hebt gedaan Bea. Ik ben je zeer dankbaar, maar ik eet geen dode dieren.'
'En jij zegt dat je uit vier verschillende werelddelen komt?' Bea's ogen schoten vuur. 'Weet je van de armoe in die landen? Lees je de krant? Armoe en nog eens armoe. Hongersnood in Afrika. Puinhoop in Zuid-Amerika.' Ben deed zijn duit in het zakje: 'wees blij dat je in ons land bent terechtgekomen. Dat je niet op een smerig stoepje in Azië zit te bedelen. Dat je hier aan een rijk gevulde tafel mag aanschuiven.' 'Dat hebben jullie allochtonen nou allemaal, komen jullie hier... '
Ik stond op. Pakte met beide handen mijn stoelleuning vast. Haalde diep adem. Kneep mijn ogen tot spleetjes. Opende mijn mond. Sloot hem weer snel.
Neen. Hier ga ik geen woorden aan vuil maken, dacht ik.
Ik vertrok.
|
|
DE KERSTKOLIBRIE
|
De kerstboom in de kantine van het bejaardentehuis schudde van zoveel geluid. Het begon toen de schoonmakers het licht hadden uitgedaan en met hun emmers en dweilen vertrokken waren. De kerstklokjes, de trompetjes, harpjes, vogeltjes, alles was in rep en roer.
Er zat een vreemde vogel in hun boom.
‘Kan je echt vliegen?’ vroeg de engel met de gouden vleugels. ‘Ja kijk maar,’ zei de kolibrie en ze wipte een tak hoger. ‘oooh en aaaah’ klonk het van alle takken.
‘Waar kom je vandaan?’ vroeg de kerstman met de kraaloogjes.
‘Van de tropen,’ lachte de kolibrie.
‘Wie verre reizen maakt kan veel vertellen’ zei de kerstman. ‘Vertel,’ piepte de sneeuwpop.
‘Waar zal ik beginnen,’ begon de kolibrie, ‘kerst, dat is het mooiste feest van het jaar. Al die kleuren, al die lichtjes. Overal kerstbomen. Ik vlieg van boom naar boom. Ik geniet van alles wat ik hoor en zie. Gisteren was ik op een kleuterschool. Daar stond een boom vol papieren sterren. De kleuters hadden flink gestrooid met glitter. De sterren schitterden in het maanlicht.’
‘Wat deden de kleuters toen ze jou zagen vliegen?’ vroeg het hertje met de strik om z’n hals.
‘Ik vlieg alleen als er geen mensen in de buurt zijn. Ik kan heel stil zitten. Kijk!’
‘Vertel verder,’ fluisterde een doorzichtige kerstbal. De kolibrie pakte haar verhaal weer op.
‘De volgende dag kwamen de kleuters met hun ouders om de boom te bewonderen. Nadat de kinderen hun ouders hadden uitgezwaaid, zongen ze: 'O Denneboom'. De juf speelde op haar blokfluit. De kleuters straalden. De volgende dag vloog ik naar een boom in een ziekenhuis. Zoveel pijn. Zoveel tranen. Ik hield het er bijna niet uit. Toch zag ik ook troost. Met rolstoelen en op krukken kwamen de patiënten bij hun kerstboom zitten. Ze dronken warme chocomelk. Een enkeling begon zelfs te zingen:
'De herdertjes lagen bij nachte'. In de boom hingen kleine kaartjes met goede wensen van en voor de zieken. De volgende dag vloog ik naar een bejaardenhuis in een stad. Er stond een flinke boom in de koffiezaal. Daar vond ik een plek op de hoogste tak. De boom was helemaal rood. Design noemen ze dat. Alles maar ook alles wat er in de boom hing, was rood.’
‘Wat saai,’ zei de sneeuwpop met de geblokte sjaal.
'Nu ben ik in Waddinxveen het mooiste dorp van het land,' lachte de kolibrie.
De kerstman klapte in zijn handen. De engel speelde op haar trompet.
'Blijf bij ons,' klingelden de klokjes. De kolibrie knikte.
Ja, hier zou hij blijven. Kerstvieren met zijn nieuwe vrienden. Kerst, het mooiste feest van het jaar.
|
|
DE DODE VLINDER (fragment)
|
De hele familie was naar Parijs gevlogen om Silvio’s eerst modeshow bij te wonen. Als grap had Silvio vóór de presentatie van zijn eigen collectie een surprise voor zijn gasten: een parade van de geschiedenis van de mode in de twintigste eeuw. Van de reformkleding naar de mode van de dandy’s en de tramps. De revolutie in de mode: de minirok en de futuristische mode kompleet met een astronaut in een space shuttle.
Vervolgens de flowerpowerjurken met Indiaase motieven. De creaties van de fin de siècle, met veel lingerielook.
Het geheel kreeg veel bijval. Fotografen verdrongen elkaar om het meest bijzondere plaatje van de middag te maken.
Alicia werd steeds zenuwachtiger. Was dit wel een goed idee? De hele modegeschiedenis in herinnering brengen. Slapende honden wakker maken.
Een zware roffel en in een paar sterke lichtflitsen kondigden Silvio’s debuut aan.
De eerste mannequins verschenen op de catwalk. Allemaal gestoken in bruine cocons. Ze gingen schuil onder grote zwarte paraplu’s. Alicia schoof op haar stoel. Wat moest dit worden? Een lichte ruis zwol aan. Een harp toverde regen uit de geluidsinstalatie. Opeens begon het vlinders te regenen. Een handvol kleurige dagpauwogen zweefden boven de paraplu’s. Atalanta’s, kleine vosjes, koninginnepage’s en icarusblauwtjes vulden de lucht. De mannequins klapten tegelijk hun paraplu’s dicht.
Ritsten hun omhulsels open. Stapten als exuberante vlinders rond.
Luid applaus overstemde de harpmuziek. De debuut collectie van Silvio haalde de wereldpers.
Ook zijn overlijden stond in alle kranten. Alicia kijkt naar de kist die bedolven ligt onder rode rozen.
Een nieuwe spreker gaat achter de lessenaar staan. Hij komt haast niet uit zijn woorden. Snuit zijn neus. Haalt hortend en stotend adem. Terwijl Silvio’s vrienden hem roemen, worden dvd’s van zijn collecties vertoond. Alicia kijkt onopvallend naar haar horloge. Ze zit hier al anderhalf uur. Het lijkt een mensenleven. Jim wordt aangekondigd. Traag loopt hij naar voren. Pakt een glas water van de tafel naast de lessenaar. Hij tikt tegen de microfoon. Haalt diep adem. Schudt zijn hoofd. Houdt zijn linkerhand voor zijn ogen. Snikt schouderschokkend. Een dame leidt hem weg. Het is nu tijd voor de laatste groet.
Terwijl Marco in Rusland voor zijn werk verbleef, bezocht Silvio Artis. Hij maakte aantekeningen bij de volière. Af en toe maakte hij een foto. Hij miste Marco. Marco was een geweldige fotograaf. Silvio beet op zijn lip. De belichting was een kunst apart. Digitaal een graadje moeilijker dan analoog. Digitale belichting was sowieso al beroerd. Daar had je in deze hoek hier in Artis niets aan. Dat groen van de pauw kon hij niet vangen. Hij wilde dat in taft uitwerken. Hij zag Michelle al op de catwalk. Ik pauwgroen. Een sleep van minstens drie meter. Hoed van pauweveren. Voile. Goudkleurig. Laat dat maar over aan Jimmy. Hij zou de sluier weer introduceren. De jaren vijftig laten herleven. De vrouw weer honderd procent vrouw. Silvio liep naar de volgede vogelkooi. Kolibrie. Nog zo’n juweel van een vogel. Een kleurenpalte om van te watertanden. Hoe noemden de Tainos op Puerto Rico de kolibrie ook al weer? Güeycariga, haren van de zon. Mooier kun je het niet bedenken.
Deze zomer zou een Vogelzomer worden. Zijn hele collectie zal louter uit vogeltinten…
|
|
BRUILOFT (fragment)
|
Stan staat op. Hij tikt met een mes tegen zijn bierglas. 'Als vader van de bruid,' hij wordt onderbroken door Pascal. 'Aanstaande bruid pa, ze is nog niet getrouwd.'
'Ssssssst!' Boze blikken om de tafel. Wat een zooitje ongeregeld, denkt Anna. Hier kan nou nooit iets normaal gaan. Altijd commentaar. Altijd trammelant. Wel apart om dit mee te maken. Ze heeft zo lang in een streng regiem gestrompeld, dat ze vergeten was dat het anders kan. Ze glimlacht.
Wat een familie.
‘Zoals ik net zei, als vader van de bruid, maar zoals jullie zien, ik heb in dit gezin niets te vertellen. Mijn kinderen maken de dienst uit. Als vader van de bruid wil ik een toast heffen, zeg je dat zo? Heffen? Lizet jij bent hoog gestudeerd. Zeg eens wat?’
Lizet wuift met haar servet en schudt nee. Stan vervolgt: ‘we brengen een toast op de bruid en bruidegom. Lang zullen ze leven. In de gloria.’ David begint te zingen: ‘Lang zullen ze leven…’ Niemand volgt hem. Stan veegt met zijn hand het schuim van zijn bovenlip. ‘Bertha wat hebben we toch verkeerd gedaan? Hoe komt het dat onze jongens zo rebels zijn?’
‘Pa is dat nou een onderwerp voor een bruidsdiner?’ David pakt een sushi van een schaal en geeft de schaal door. Iedereen neemt iets van de schaal. Bertha legt het op haar servet. Snuit haar neus. Bet haar ogen droog. Het is doodstil. ‘Mensen we gaan Floor niet begraven! Kom! We vieren feest!’ David klap in zijn handen. ‘Wie weet iets leuks te vertellen over onze Floor.’
Als Pascal opstaat om het woord te nemen komt de ober met de soepterrine voor hun tafel. Pascal gaat weer zitten. De pot-au-feu wordt geserveerd. Lepels tikken onregelmatig tegen de borden. In de verte hoor je de hakken van de ober op de tegels klakken. En als je goed luistert hoor je door de open ramen de meeuwen kibbelen op het strand.
De escargots de Bourgogne en de coquilles St. Jacques à la Parisienne volgen. Griet-Saint-Germain met gegratineerde aardappelen worden opgediend. De stemming zit er niet in. Komt er ook niet meer in. Zelfs bij de mousse au chocolat kijkt iedereen strak voor zich uit.
Buiten klinkt salsa. Bij het zwembad dansen verliefde paartjes dicht tegen elkaar gesmeed. Verveeld kijkt de familie naar hun servet met de souvenirs van hun diner.
Ben staat op. ‘Kom Floor we gaan dansen.’
Pascal gooit zijn servet op tafel. ‘We wachten nog op de koffie jongens!’
Ben en Floor lopen naar buiten. Bij het zwembad zit een trio in fel gekleurde wayabero’s. LOS MOSTACHOS staat op het sandwich-bord naast de gitarist. Alle drie dragen ze een snor. ‘Zouden die snorren echt zijn?’ vraagt Floor. 'Wel nee. Waarschijnlijk nepsnorren.’ Ben legt een arm om Floors taille. Zij legt een arm op zijn schouder. Net als het paar een eerste stap zet, eindigt de bolero met een lange zachte ooooooo. Twee tellen later zet het trio een tumba in. De dansvloer raakt vol. Er wordt vurig gedanst op het geliefde Antilliaanse ritme. Gitaar, xylofoon en wiri wedijveren met elkaar. Het is een mooie combinatie.
|
|
|
Een voor een komt de familie Zuydwyk Bossart naar het zwembad. Pascal sipt aan zijn cappuccino. Stan staat op de maat te stampen. Dan trekt hij Bertha mee naar de deinende massa. Ze hebben de grootste lol. Als de muziek stopt nemen de muzikanten een pauze. Stan loopt naar Ben en Floor. ‘De volgende dans is voor de vader van de bruid,’ zegt hij. Ben knikt. ‘Zal ik wat te drinken halen voor jullie?’
‘Biertje’ zegt Stan. ‘Jij een verse ananassap?’ Floor knikt. Als Ben naar de bar loopt, zegt Floor tegen haar vader. ‘Ik wil je onder vier ogen spreken.’ Stan fronst. ‘Wat nou weer?’ Floor trekt haar schouders op. Ze ziet Ben voetje voor voetje een weg banen tussen de wriemelende mensen. Twee flessen bier in een hand en Floors versierde sap in de andere. ‘Waar gaat het over?’ sist Stan. Floor schudt haar hoofd. ‘Niet hier.’
Ze pakt het glas met kers en gouden slierten van Ben. ‘Op de bruid!’ proost Ben.
LOS MOSTACHOS starten a capella: kokoyoko mi gai. De gitaar neemt het over. De xylofoon en wiri volgen. ‘Kom,’ zegt Stan, ‘we gaan dansen.’ ‘Eerst mijn sapje.’
Floor leunt tegen Ben. Stan zet zijn bierfles op de dichtstbijzijnde tafel. Trekt Floors glas uit haar handen. Hij morst op Floors rok. Zet het glas naast zijn fles. Ben bet de gele vlek op Floors rok. Stan staat weer voor het paar. ‘We gaan dansen.’ ‘Eerst mijn sapje.’ Floor loopt naar de tafel waar haar glas werd neergezet. Ben tikt Stan op zijn schouder. ‘Laat haar nou even haar sap drinken. Het is nu nog koud. Als het lauw is smaakt het niet lekker.’
Stan schudt zijn wijsvinger dicht tegen Bens neus. ‘Bemoei jij je er niet mee. Verwend nest is ze. Denkt iedereen te kunnen commanderen.’
|
|
FEEST
|
Twee trappen op. Het feestelijk geroezemoes komt dichterbij. Bij de roze gedekte tafel vol taarten staat ze. De jarige Ria. Zestig is ze geworden. De rij is lang. De wachtenden keuren de taarten: merinque, hazelnoot, latte macchiato, mango crème fraiche, chocolade royal. De drie conservatoriumdochters, helemaal in het zwart, zorgen voor vrolijke muziek. Piano, cello en viool klinken vloeiend. Locatelli allegro-capriccio. De trotse vader, Bert, schudt zijn hoofd in de maat van de muziek. Zijn lange grijze krullen zwieren wild. De moeder, het middelpunt van deze dag, draagt een tomaatrode ensemble om haar uitstekende botten. Een grijze knot versterkt met vele haarstukjes, hangt tegen haar smalle nek. De pianist denkt: knip dat haar toch af, ma.
Aan de ronde tafels zitten veel dames. Grijze hoofden. Een enkel mantelpak. Veel truien en rokken. De heren, in de minderheid, roeren twee, drie suikerklontjes in hun café au lait. De dames houden het bij zoetjes.
De jarige schudt handen. Kust. Neemt de enveloppen in ontvangst. De mand, op de versierde stoel naast de feesteling, puilt uit. Enveloppen in alle vormen en maten. De cellist denkt: had de gasten toch vrij gelaten in hun cadeaukeuze.
De echtgenoot haalt zijn beide handen door zijn krullen. Strijkt zijn zijden sjaal glad. Vraagt om stilte. De koffieschenksters in roze schortjes, treden terug. De vorken vol slagroom worden afgelikt. Neergelegd. Geschuifel. Aandacht.
De jarige leest voor van een paar A-viertjes. Het leven van een katholiek meisje, vlak voor de tweede wereldoorlog geboren, wordt kort geschetst. Ria woonde dichtbij Rotterdam. Herinnert zich levendig de 14e mei 1940. Rond 13.30 uur ziet ze lichtflitsen in de lucht. Gerommel. Onweer op komst? Rook in de verte. De oorlog is begonnen. Haar familie komt er redelijk ongeschonden uit. November 1944 Zeeuws Vlaanderen bevrijd. Hoop, maar de hongerwinter volgt.
Zo kabbelt het verhaal door. Af en toe gepiep van stevige damesschoenen. Grijze hoofden knikken instemmend.
|
|
|
De verliefdheid.Verloving. Na zes jaar trouwt het paar. Het eerste kind wordt geboren. De jarige slikt. De violist denkt: toen begon het vreemdgaan. De echtgenoot reikt Ria een papieren mouchoir aan. Plotseling vliegt de deur open. Een veertiger, gestoken in een krap panterprint-jurkje, kijkt rond. Twee lange benen in een kanten panty, trippen op naaldhakken de zaal in. Ria deinst terug. Bert gaat voor haar staan. De furie sprint naar het paar. Haar wulpse borsten, die net niet over haar decolleté piepen, deinen op en neer. Op en neer. Haar rode krullen spugen vuur. Ze staat vlak voor de echtegenoot stil. Ze likt haar lippen.Slaat haar fraaie armen over elkaar. Hij kan haar parfum ruiken: Jungle van Kenzo. Hij had het haar met Sinterklaas cadeau gegeven. Verpakt in een groot suikerhart. Een lang erotisch gedicht, onder een grote strik, prijkte op het hart. Dat was maar kort geleden.
De pianist denkt: wat een schitterend haar!!
De violist: de slet!! Hoe durft ze!!
De cellist: is dit je cadeau panter?
Bert kan zijn bredegrijns amper onderdrukken. Wat een wijf!
De panter spreekt: “Je zoon ligt in het ziekenhuis. Berts beide handen vliegen in afschuw naar zijn mond. Hij spert zijn ogen wijd open. De jarige gaat zitten.
De pianist: ik heb een broer!
De violist: wat een schande!
De cellist:ik moet maar eens naar een van haar toneelstukken…
Diepe stilte. Bert leidt de panter voorzichtig weg. Ze fluistert: “ hij is buiten levensgevaar.”
De pianist zet in: Lang zal ze leven.
Bedeesd komt de zang op gang.
|
|
EEN PLEKJE DICHT BIJ DE HEMEL
|
Ze zit op een plastik kruk. Hoe oud zou ze zijn twaalf? Dertien? Haar lange bruine rok maakt haar ouwelijk. Onder haar rok piepen afgetrapte zwarte schoenen. Haar bloes is niet zichtbaar. Ze houdt de te grote accordeon tegen haar smalle borst. Speelt met haar hele lijf. Wiegt haar hoofd van links naar rechts. Aan haar ronde gezicht zie je dat ze nog een kind is. En kind met een zachte stem. Ze zingt 'cielito lindo' met een zeer apart accent. Dat is bijzonder. De meeste jonge straatmuzikanten zongen niet. Zij zingt voor zichzelf. Blik op oneindig. Bij elke muntstuk, die in de wollen baret naast haar rugzak valt, maakt ze een kort knikje. Iets dat voor een glimlach moet doorgaan, glijdt dan over haar lippen.
De plek waar ze zit is goed gekozen. Van vier kanten komt het winkelend publiek langs haar baret. Bijna iedereen houdt de pas in en strooit een paar munten in het hoofddeksel. Haar zachte stem, afwezige blik in combinatie met haar knappe spel is daar debet aan.
De accordeon rust op haar linker knie. De dunne vingers van haar linkerhand pakken foutloos de toetsen. Haar rechterhand duwt bijna achteloos de knoppen. Ze heeft talent. Zoveel is duidelijk.
Het is gunstig weer. De winkelstraat is vol slenterende tieners in korte rokken, T-shirts met spaghettibandjes, reuzenschoudertassen en witte sportschoenen. Ze steken hun hoofden met warrig haar bijelkaar. Smoezen en lachen zich een mond vol ijzerwerk. Een enkel mollig meisje eet patat. Biedt de anderen iets uit haar puntzakje. De meesten bedanken met een vies gezicht. De tieners gaan op de muziek af. De muzikant geeft een eind-riedeltje.
‘Aaaaach’, roepen de meisjes, ‘net te laat.’ De muzikant pakt een fles water uit haar rugzak. Neemt een slok. Ze kijkt niet naar de meisjes. Begint te zingen 'Ay Jalisco, Jalisco, Jalisco tú tienes tu novia que es Guadalajara'. Pas na de tweede zin begint ze op haar accordeon te spelen. Ze houdt de uithalen lang aan. De tieners beginnen te dansen. ‘Wat voor taal zingt ze?’ ‘Italiaans,’ denkt er een. ‘Nee joh! Spaans,’ weet een ander. Hun onrust dirigeert hen naar de ballonnen verkoper verderop.
|
|
|
Van achter de ballonnen verkoper komt een lange jongen aangesneld. Zijn colbert wappert aan alle kanten. Hij draagt een vioolkistje op zijn linker schouder, een plastik tas in zijn rechterhand. De tieners beginnen te giebelen. Zwieren hun lange lokken naar links en rechts. De jongen kijkt recht vooruit. Hij gaat tegen een winkelruit staan. Pal tegenover de accordeonist. Ze kijkt op. Ziet hem staan. Glimlacht. Hij mimet vioolspel. Zij schudt nee. Als ze aan het eind van haar lied is, loopt hij naar haar toe. Uit de plastik zak haalt hij een papieren zak met twee boterhammen. Hij geeft een aan het meisje. Ze drinken samen uit haar fles. De jongen veegt zijn mond af. Telt de munten in de baret. Steekt zijn duim omhoog. Zij pakt haar accordeon in. Gooit haar rugzak over haar schouder. Tikt de jongen op zijn schouder en loopt weg. De jongen gaat op haar kruk zit. Klipt zijn vioolkist open. Een paar straten verder gaat de accordeonist op een muurtje zitten. Ze speelt en zingt haar Mexicaanse repertoire. Elkaar duwend en trekkend komen de tieners weer aan. ‘Nu zit ze hieieier!’ roept er een. ‘Ja echt?’vraagt er een spottend.
Een groep Marokkaanse jongens nadert. Elk heeft een andere stoere loop. De langste van de groep loopt voorop. Zwaait zijn schouders van links naar rechts. Achter hem loopt er een, die na elke stap een tel op zijn tenen gaat staan. Het is een koddig gezicht. De meisjes kijken om zich heen. Trekken aan hun rokken. Grijpen naar hun lange haren en gooien hun lokken als serpentines omhoog. De jongens huppen en deinen voorbij. De muzikant begint aan een nieuw lied:'Si nos dejan buscamos un rincon cerca del cielo'.
Het regent muntjes in de baret. Ineens staat de violist naast de tieners. Hij zet de kruk, de vioolkist en de plastic tas op de grond. ‘Wat zingt ze,’ vraagt een van de meisjes. ‘We gaan een plekje zoeken dicht bij de hemel…’ Hij lacht. De muzikant haakt haar accordeon dicht. Staat op.
|
|
|
De violist doet de accordeon in zijn hoes. Rolt de baret op en geeft haar aan de zangeres. Ze stopt de baret in de rugtas. Samen lopen ze weg. Bij het busstation stappen ze in. Het meisje zet haar vracht voor zich op de bank. De jongen houdt de kist op zijn schoot. Hij doet zijn colbert open. Het meisje stopt haar linkerhand erin. Aait. Ze glimlacht haar tanden bloot.
Na een halfuur begint ze te knikkebollen. De violist drukt op de stopknop. Raakt voorzichtig haar gezicht. Ze doet haar ogen open. Bij een park stappen ze uit. Het meisje sleept met haar rugzak en de kruk. De violist met de twee muziekinstrumenten. Ze gaan het park in. Op een bank die schuilgaat tussen rozebottelbosjes en rododendrons gaan ze zitten. Haar ogen glimmen Ze steekt haar beide handen in de borstzak van zijn colbert. Ze haalt er iets uit. Bedekt het met haar rechterhand. Brengt het naar haar mond. Geeft het een kus. Hij lacht. Zij opent haar handen. Een wit muisje steekt zijn kopje omhoog. Zij legt het beestje op haar schoot. Hij zegt: ‘Lief hé.’ Zij antwoordt: ‘Ik weet niet waarom mijn ouders niet willen dat ik ook …’
‘Morgen komen we hier weer,’zegt hij.
|
|
DE SPEELDOZEN
|
Het was een warme dag. Sela zat op de zolder waar ze als kind zo graag speelde. Ze hoorde de klok beneden elf slaan. Haar ouderlijk huis moest ontruimd worden. Ze zocht naar de speeldoos uit haar jeugd. Veegde het zweet van haar voorhoofd. Ze wist zeker dat de doos op zolder lag. Haar moeder gooide nooit iets weg. Ze vond oude schriften waarin ze gedichten had geschreven. Gedichten over haar vader. Hij was veel weg. Zij miste hem erg. Gedichten over haar moeder die veel huilde.
In de kamers beneden waren haar twee zusters, bezig alles in te pakken. Morgen zou de plaatselijke tweedehands winkel, De Ekster, de spullen komen ophalen.
Stapels dozen stonden er langs de vier wanden van de zolder. Ze moest zorgen dat het speeldoosje niet werd weggegeven. Haar collectie was pas compleet als ze de doos uit haar jeugd gevonden had. Ze kon de melodie nog neuriën. Het was een kinderliedje uit Zwitserland. Daar is ze veel later achtergekomen. Ze was met haar man, Bob, op vakantie in de Jura.
Op een wandeltocht kwamen ze op een zonnige morgen een schoolklas tegen. De kinderen zongen háár melodie. Het muziekje waarmee ze als kind elke avond in slaap viel. Ze sprak de schooljuffrouw aan en tot haar verrassing zongen de kinderen het liedje nog een keer.
Wen ig kei Gäld me ha
So weis i, was i teu:
I lege der Chatz es Schälleli a
Und verchoufe se für ne Chue.
Ze noteerde ter plekke de tekst en met tranen in haar ogen bedankte ze de kinderen. In het hotel vertaalde ze het liedje:
Als ik helemaal geen geld meer heb
Dan weet ik wat ik doe
Ik doe de kat een belletje om
En verkoop haar als een koe.
De hele vakantie speelde het liedje in haar hoofd. Af en toe zong ze het voor Bob, die elke keer weer moest lachen als ze met een lange uithaal ‘cheueueueueu’ eindigde, om daarna onverwachts nog ‘ping-pingeling-ping-ping-ping’, aan het liedje toe te voegen. Na een paar keer kon Bob het liedje dromen. Hij zong het als ze naar bed gingen. Met het slot: ping-pingeling-ping-ping-ping. Het was een eenvoudig pentatonisch liedje in driekwartsmaat. Licht van toon.
Op haar vierde verjaardag had ze het muziekdoosje van haar vader en moeder cadeau gekregen. Elke avond nadat een van haar ouders haar had voorgelezen, openden ze het doosje. Het deuntje klonk driemaal. Voordat de laatste ‘ping’ had geklonken sliep ze.
Sela pakte een houten kist. Deed haar open en hield haar adem in. Daar lag het. Haar speeldoos. Met trillende handen haalde ze het uit de kist. Deed het open. Het wijsje klonk vrolijk als altijd. In de doos zat een krantenknipsel. Met ballpoint had iemand in de kantlijn, een datum genoteerd; zaterdag 15 mei 2004.
Het was een oproep: wie kan mij de tekst bezorgen van een speeldoosdeuntje. De tekst gaat over een kat die als koe verkocht wordt. Bel: 020-6411532 Sela deed het doosje dicht. Stopte het knipsel in haar broekzak. 2004, dat was twee jaar geleden. Ze was laat thuis, want haar zusters wilden per se vandaag alles afronden. Liever was ze naar huis gegaan, maar ze wilde haar zusters te vriend houden. Ze hadden al altijd mot over vader. Haar zusters beweerden dat
vader een vriendin had. Sela verdedigde haar vader door dik en dun. Vader met zijn guitige groene ogen. Altijd vrolijk. Ze miste hem vaak.
Sela pakte een glaasje, schonk het tot de rand vol met rode port. Nam een slok. Ze had trek, maar wilde eerst bellen. Ze scheurde een zak zoute pinda’s open en nam een handvol. Terwijl ze naar de huiskamer liep, kauwde ze de hand pinda’s weg. Nam nog een slok port. Veegde haar handen aan haar stoffige t-shirt. Belde het nummer dat op het krantenknipsel stond. De telefoon ging over, maar er werd niet opgenomen. Op het moment dat Sela overwoog op te hangen, hoorde ze een donkere stem: “Met Anneke Weber.” Sela vertelde dat ze het krantenknipsel gevonden had. Ze wou het liedje zingen. Het was stil aan de andere kant. Toen zei Anneke Weber: “Ik luister.” Sela zong.
“Ja! Dat is het,” klonk het enthousiast. “Ik heb ook een speeldoos met de melodie, zal ik dat ook laten horen?” Sela deed de doos open en hield de hoorn er tegenaan. Nadat Sela de doos weer had dichtgedaan, bleef het even stil aan de andere zijde. Sela zette de telefoon aan haar andere oor. Ging verzitten en schoof de doos heen en weer over de tafel. Toen er nog geen geluid kwam van de overkant, begon ze te vertellen, hoe ze in de Jura een schoolklas het lied had horen zingen. Sela hoorde een diepe zucht. Ze hield op met praten. Anneke vroeg waar Sela de doos had gekocht. “Het is een cadeau van mijn ouders.” Anneke wilde Sela ontmoeten. Ze had nog vele vragen.
De klok in café Café sloeg elf uur. In het gele licht zaten twee vrouwen van middelbare leeftijd. Sela zwierig, kleurig gekleed, Anneke, sober strak, in aarde tinten. Beide vrouwen waren rijzig van gestalte. Ze hadden dik blond haar. Grijzend aan de slapen. Een scherp profiel. Groene ogen met een bruin randje om de iris.
Anneke bestelde een espresso, Sela een café au lait. Anneke vertelde dat ze een speeldoos cadeau kreeg op haar vijfde verjaardag. Ze kreeg het van haar moeder en oom Hans. Samen zongen ze het liedje van de koe en de kat voor haar. Ze kon het niet verstaan, maar oom had het voor haar vertaald. Oom kwam vaak langs en hij bracht altijd een cadeau voor haar mee. Toen Anneke achttien werd, vertelde moeder dat haar oom geen echte oom was. Hij was haar vader. Op Anneke’s vraag waarom Hans dan niet bij hen woonde, kwam het onthutsende antwoord: Hij had elders een vrouw en kinderen.
Vanaf dat moment wilde Anneke Hans niet meer zien. Ze ging op kamers wonen. Haar moeder zag ze zelden of nooit. Na het overlijden van haar moeder, vond ze de muziekdoos op haar moeders nachtkastje. In de doos zat een nota van 2 mei 1960:
1 speeldoos serienr. 150671............fl. 15,95
Totaal ..............................................fl. 31,90
Na een diepe zucht wees Anneke naar hun koud geworden koffie. “Zal ik bestellen?”
Sela schudde van neen. Ze haalde diep adem. Pakte haar tas. Maakte haar tas open. Keek Anneke aan. Anneke opende ook haar tas. Knipperde met haar ogen. Tegelijk haalden ze hun muziekdoos uit de tas. Legde haar ondersteboven op tafel. Anneke pakte de oude nota en streek hem glad. Ze schoof hem naar Sela. Sela las de cijfers van haar doos hardop.”150672.”
Anneke las haar nummer niet. Ze schoof haar doos naar Sela en fluisterde: “150671.”
|
|
HET VOGELMEISJE
|
Ik herinner me nog, dat ik als kind zat te zingen op een tak, dichtbij een nest. Ik kreeg een rupsje van moedervogel. De eerste keer kon ik de rups met moeite wegslikken. Vooral de harige exemplaren gingen ongemakkelijk door mijn keel. Van lieverlee ging ik ze lekker vinden. Lekkerder dan mijn moeder’s pasta’s. In de herfst stonden bessen op het menu. Heerlijk.
Neen, mevrouw. Nooit een conservatorium van binnen gezien. Zangzaad. Ja, elke dag. Op de kleuterschool klonk mijn stem glashelder boven de stemmen van mijn klasgenootjes. Op mijn eerste schooldag mochten we om de beurt een liedje zingen. Ik zong:
-ik zag twee beren broodje smeren-. Mijn juf knipperde met haar ogen. Keek me met openmond aan. Ze haalde de juf van de klas naast ons erbij. Ik moest het lied nóg een keer zingen. De twee juffrouwen keken elkaar aan. Ze schudden langzaam hun hoofd. Ik kon al heel jong zangvogels nadoen. Van de ‘tsjek- tjek-tsjerr’ van de bosrietzanger tot de ‘diedero-iet’van de spotvogel. Ja, het lied van de nachtegaal zong ik het liefst. Zo melodieus: hoewiet-hoewiet.
Wist u dat merels het mooist zingen bij zachte motregen?
(Waarom geef ik deze interviews? Oooooooh.)
Heel vroeg werd zingen voor mij een noodzaak. Ik heb altijd al gevonden dat spraak tekortschiet. Kijk, woede, ontgoocheling, waanzin, dat zijn toestanden waarin het woord niets meer waard is. Zingen wordt dan onvermijdelijk. Urgent, zou ik zeggen.
Waarom ik lach? Omdat iedereen altijd begint met de vraag naar mijn syrinx en u stelt pas na een kwartier de vraag. Dat vind ik grappig.
Ja, de syrinx, dat orgaan komt bij zoogdieren zoals wij, eigenlijk niet voor. Bij mij kwam de syrinx niet alleen voor, hij was bij mij hoogontwikkeld. Op een röntgenfoto was dat duidelijk te zien. Ja, het zat bij de uitgang van mijn bronchiën. Aan dat orgaantje danken vogels hun sterk ontwikkelde vermogen om afwisselende, fraai klinkende harde tonen en melodieuze strofen voort te brengen.
Op mijn achtste zong ik alle kristallen glazen aan scherven. In de kerk werd ik eerste sopraan.
( Ik kijk naar buiten terwijl ze een cd van mij draaien. Het regent niet. De herfst trakteert ons op veel geel. Als ik nou nee zei tegen alle interviews. Verhuis ik naar Florence. Of toch naar Rome. Norina zingen. En Linda, Inez, Serafina, Adina. Ik ben geboren om Donizetti’s vrouwen te zingen.
Onder de geur van amandelbomen sterren tellen. De maan zien zeilen achter een rij cipressen. Weg. Niet meer zoeken naar mijn wortels, of moet ik zeggen naar mijn veren. Na de cd komt vast het gezeur over mijn borsten. Of beter gezegd mijn ‘géén borsten’.)
Ja, mevrouw dat was mijn eerste cd. Ik heb inmiddels tien op mijn naam staan. Neen ik sta nooit met een foto op mijn cd-hoezen. Waarschijnlijk niet brutaal genoeg om in de lens te kijken met handen op mijn decolleté. Klaar om alles te onthullen. (O jee! Nou begin ik er zelf over.)
Neen mevrouw, ik kan het niet verklaren. Borsten hebben mij nooit bezig gehouden. Ik moet u zeggen dit interview kost me zoveel energie, dat ik zo meteen nog amper een hoge C haal. Waar is mijn anorak? Ik wil naar huis.
U kunt misschien nog een cd van mij draaien. Mevrouw ik begrijp het, in een live uitzending kan dit niet maar …
Waar is mij rugtas. Neen, er is geen tweede interview mogelijk. Ik ga nu naar mijn zangzaadleverancier. Ik ga mijn bestellingen laten overschepen naar een land met bijzondere vogels. Mevrouw u heeft mij goed op weg geholpen, of moet ik zeggen, goed de lucht in geholpen. Ik ga verhuizen.
|
|
ROOS
|
De eerste keer dat ik haar zag, was aan het strand van Estoril. Portugal. Op blote voeten liep ze daar rode rozen te verkopen. Haar rood-wit-gestreepte jurk was vuil en gekreukeld.
Een paar dagen later kwam ik haar tegen op de kermis van Estoril. Ook daar verkocht ze rode rozen. Ze had een paar afgetrapte gympen aan. Toen ze mij vroeg of ik een roos wou kopen, haalde ik meteen mijn portemonnaie uit mijn tas. Ik nam alle tijd om het kleingeld bijelkaar te zoeken. Ondertussen bekeek ik haar. Met gebogen hoofd stond ze op de escudos te wachten. Een vreemde lucht hing om haar. Ze was niet ouder dan acht jaar. Dacht ik. Haar magere armen waren bruin. Niet van de zon. Vuil. Ik had in Portugal vaak jonge kinderen gezien, die van alles aan toeristen verkochten. Dat was niets bijzonders. Wel waren die kinderen veel ouder dan dit kind. Ik legde het geld in haar uitgestoken hand. Ze hief haar hoofd. Keek me aan. Ik zag een paar grote donkere ogen. Leeg. Een neus vol sproeten. Een mond die nooit had leren lachen. Ik nam de roos en gaf haar een brede glimlach. De uitdrukking op haar gezicht veranderde niet.
Ze liep weg. Ik volgde haar. Wilde meer van haar weten. Ze passeerde een lange rij voor de suikerspinkraam. Voetje voor voetje zeilde ze door de menigte. Ik bleef op afstand. Plotseling begon ze sneller te lopen. Ik had moeite haar bij te houden. Ze verdween achter een enorme
draaimolen. Ik raakte haar kwijt. De dagen die volgden, dacht ik veel aan Roos. Zo noemde ik haar.
Terug in Nederland stond mij een stapel werk te wachten. Ik dacht niet meer aan Roos. Een paar weken later, bezocht ik een fototentoonstelling van een Engelse fotograaf. Ik was zeer verrast een levensgrote foto van Roos te zien. Ze zat op de bordestrap van een restaurant. Een dame in gala stond naast haar. De dame had een rode roos in haar hand. Een heer legde kleingeld in Roos’ hand. Het onderschrift bij de foto was: Flowergirl in Mexico City.
Ik knipperde met m’n ogen. Mexico? Dat kon niet. Het meisje op de foto was gekleed in hetzelfde rood-wit-gestreepte jurk. De jurk die ik op het strand en op de kermis van Estoril gezien had. Estoril. Portugal. Dezelfde afgetrapte gympen aan haar voeten. Dezelfde grote ogen. De hele dag steeg en daalde de foto van Roos in mijn hoofd.
Twee dagen later stond ik in Utrecht op een trein te wachten. Bij een kiosk bladerde ik door een National Geographic. Mijn oog viel op een foto van Roos. Ze leunde tegen een pilaar van een groot gebouw. Ik kocht het tijdschrift. Moest hollen om mijn trein te halen. Met kloppend hart zocht ik opnieuw de bladzijde. Daar stond ze. Roos. Onder de foto las ik: Flowergirl in Singapore nearby the Sakja Moeni Gaia temple.
Ik streek over de strepen van haar jurk. Raakte de oude gympen aan. Deed mijn ogen dicht. Voel de doorn van een roos in mijn duim. Een druppel bloed valt op mijn gekreukte jurk. Aan het strand schrap ik met een schelp, alle doornen van de stelen. Vanmorgen heb ik bijna niets verkocht. ‘s Middags zoek ik schaduw. Mijn rozen mogen niet verleppen. Vanavond moet ik meer verkopen.
Ik stap uit de trein. Het tijdschrift stevig onder mijn oksel. Ogen vol van het kind dat ik was.
|
|
DE DRIE GRATIËN
|
Het is vrijdag 4 november 2005. De verwarming brandt voor het eerst dit najaar. Vier klassieke schemerlampen met witte kappen, zetten de huiskamer in een serene sfeer. Op de tafel een groot boeket herfstasters, naast een glaasje rode port en een schaaltje gemengde noten. De Concertzender vult de ruimte met Indiaase raga’s.
Ik kijk naar de Biedermeierspiegel. Ik vang een glimp van het kind dat ik was.Wat zou er van mij geworden zijn, als ik niet naar het Noorden vertrokken was? Zou ik dan ook danseres geworden zijn? Die vraag houdt me bezig. Meer dan ooit, nu ik bijna vijftig jaar hier woon.
De raga’s maken plaats voor salsa. Een woord dat verschillende soorten muziek onder één noemer plaatst. In mijn jonge jaren was dat niet zo. Je had bolero, rumba, cha-cha-cha, mambo,plena, guajira, merengue en nog een rij van die heerlijke ritmen. Het kind in de spiegel begint te dansen. Mij werd vroeger verteld dat kinderen uit het Zuiden eerst leerden dansen en daarna leerden ze pas lopen. Ach al die verhalen… Toch duik ik in een verhaal. Een verhaal, dat op gezette tijden in mijn hoofd borrelt. Tot nog toe heeft het verhaal steeds een andere titel gehad: De Foto; Carnaval; De Drie Gratiën; Mijn Zusjes.
Het verhaal begint met een stofdoek in de hand van een kind. Dat kind ben ik. Ik ben de oudste thuis. Help mijn moeder graag. Ik blaas op een beeldje van drie dansende meisjes. Het beeldje is gemaakt van stroef wit materiaal. Ik kijk er altijd graag naar. De meisjes hebben iets zwierigs. Lange loshangende gewaden. Bloemenkrans in het haar. In het Zuiden, dragen we geen lange jurken. En bloemen in het haar al helemaal niet. Bloemen verwelken waar je bijstaat. Zelfs in een vaas hebben ze het moeilijk. Bloemen in het haar, was dat het, wat me trok? Of was het toch de dans?
Er moet ergens een foto zijn. Een foto van drie dansende meisjes…Vele jaren later zei ik, dat ik op deze dag besloten had de foto te gaan zoeken.
Het regende toen ik uit de bus stapte. Een windvlaag greep mijn zwarte paraplu. Trok hem binnenstebuiten. Ik stapte in een plas. Het was een gat in het asfalt. Er waren meer gaten. Door een ongecontroleerde beweging stootte ik mijn bril van m’n neus. Hij verdween in een gat. Ik viste hem op. Hij was nog heel. Een goed begin.
Honderd meter verder stapte ik, café ‘Een Kleintje’ binnen. Het was er heerlijk warm en leeg. Ik probeerde mijn verwaaide grijze haren te fatsoeneren. De kastelein, een jonge kerel rond de dertig, kuchte: ‘Goede middag.’ Hij wees naar mijn kapotte paraplu. ‘Gooi maar weg,’ zei hij, ‘pak er een uit de paraplubak. Gevonden voorwerpen.’ Hij lachte hoestend. Ik bestelde koffieverkeerd. Haalde een notieboekje uit mijn tas. Bladerde tot ik het adres gevonden had.
‘Ik moet naar de L. de Jongstraat. Is dat hier in de buurt?’ vroeg ik. Hij krabde aan zijn neus. ‘Aan het einde van deze straat rechtsaf en direct weer rechtsaf,’ proestte hij, terwijl hij met beide handen de weg wees, de bochten nam.
Het regende nog steeds toen ik de deur van het café achter me dicht trok. Een grote stevige zwarte paraplu, hield me droog. De L.de Jong was een doodlopende straat. De stoep miste hier en daar een tegel. Zigzaggend bereikte ik nummer 12. Een met bakstenen ommuurde grindtuin. Voor de ramen neergelaten rolgordijnen. Geen naambordje. Ik belde toch maar aan. Ik meende een oog voor het spiegat te zien. Belde nog een keer. Een jongen kwam aangefietst. Ik schatte hem op 12 jaar. Hij zette zijn fiets tegen de bakstenen muur. Belde aan op nummer 10. Een oude kromme man deed open. Hij knikte naar mij. ‘Daar woont niemand,’ zei hij. Hij liet de jongen binnen. Deed de deur dicht. Ik stond net op het punt om weg te gaan, toen ik duidelijk gestommel hoorde. Ik belde weer.
Er gebeurde nog steeds niets. Ik beet op mijn lippen. Liep naar nummer 10. Ik belde twee maal kort. De deur ging op een kier open.
‘Ik hoor iets op nummer 12. Er moet toch iemand binnen zijn,’ probeerde ik. De man keek naar de grond. Schudde zijn hoofd. ‘Het huis staat al jaren leeg.’ Hij keek mij aan. Ik zag de angst in zijn fletse blauwe ogen. Langzaam trok hij de deur dicht.
Per ongeluk liep ik tegen de fiets op. Hij viel met luid gekletter om. Ik moest mijn paraplu dichtklappen om de fiets weer tegen de muur te stutten. Het regende fijne watersproeten. Ik haalde diep adem.
Ik moest die foto hebben. Vastbesloten liep ik naar nummer 14. Hiphop-muziek brak door alle kieren van het huis. Ik belde drie keer voordat er eindelijk werd opengedaan. Een jong meisje, ik schatte haar op 18 jaar, behangen met zilveren piercings, lachte mij wezenloos toe.
Ik likte aan mijn onderlip. ‘Woont er iemand hiernaast op 12?’
‘Ja, maar ze doet zelden open. Alleen voor de buurman op nummer 10.’
‘Die zegt dat het huis al jaren leeg staat.’ zei ik. Het meisje beet op haar geringde onderlip. Keek naar de grond. Een forse jongen in boxshort en ontbloot bovenlijf, kwam polshoogte nemen. Ik schatte hem op 20 jaar. ‘Wat is er?’ vroeg hij kortaf.
‘Ik wil Smit op nummer 12 spreken,’ zei ik. Daar weten wij niets van,’antwoordde hij bars. Hij trok de deur met een harde klap dicht. Ik bleef staan. Belde weer aan. Er kwam niemand. Ik belde voor de tweede keer. Hield de bel ingedrukt. Dat hielp. De deur werd opengezwaaid. ‘Wegwezen!’ snauwde de jongen.
‘Ik ben een achternicht van mevrouw Smit. Ik moet haar spreken.’
De jongen aarzelde. Keek over mijn hoofd de straat in. Binnen werd de muziek zachter gezet.
Het regende niet meer. Ik vouwde mijn paraplu op. Abrupt trok de jongen de deur dicht. De muziek klonk weer op volle sterkte. Het begon weer te regenen. Ik stak mijn paraplu op. Liep naar nummer 10. Belde aan. Geen reactie. Langzaam liep ik richting café ‘Een Kleintje’. Ik slalomde om de plassen. Mijn schoenen liepen vol. Bibberend en soppend kwam ik bij de kroeg aan. Er zat een oude man in het zwart aan de bar. ‘Gevonden?’ kuchte de kroegbaas. Ik knikte. ‘Iets warms drinken?’ vroeg hij vriendelijk, ‘Ga maar bij de verwarming zitten, u ziet er koud uit.’ voegde hij er aan toe. Als hij nog één vriendelijk woord had gezegd, was ik in huilen uitgebarsten. Ik bestelde thee.
‘Een scheutje rum erin doet wonderen,’ zei de man in het zwart. Hij draaide zich half om en keek me doordringend aan. De kastelein hield een fles rum vragend omhoog. Ik schudde mijn hoofd. ‘Neen, dank u.’ Ik warmde mij handen aan het theeglas.
Blies de thee lauw. Sloot mijn ogen.
Ik ben weer 12 jaar. Het felle tropenlicht wordt gezeefd door witte gordijnen. Ik stof het dressoir. Verplaats het witte beeld van de Drie Gratiën. Het beeld voelt koud en stroef aan. Ik blaas het stof van de fijne neuzen. Van de weelderige krullen. Uit de vele plooien in de lange kleden..
Even later zie ik in gedachten, de vergeelde foto van mijn drie zusjes, op het kastje van mijn oudtante. Voor één dag waren ze de Drie Gratiën: Thalia, Aglaia en Euphrosyne. Carnaval 1950. Lange witte jurken. Geluk, Glans en Vrolijkheid. Dansende meisjes met papieren bloemen in het haar.
Met moeite deed ik mijn ogen weer open. Jaren was ik op zoek naar die foto. Vandaag was ik er dichtbij.
|
|
EEN HALVE REGENBOOG
|
Ik hoorde het duidelijk tussen al het gekraak en gepiep door. De stem was in het begin zwak, maar gaandeweg werd ze sterker. Het was een bericht voor mij. Ik controleerde waarop in had afgestemd. Ik had me niet vergist. Het was Radio 1. NOS- Met het oog op morgen.
Mijn naam werd weer genoemd:-Elena van Eyort, dit is een bericht voor jou. Doe alle lichten uit, dan weet ik dat je mij hoort.-
Ik haalde diep adem en doofde alle lichten in mijn huiskamer. Uit de radio klonk:-Elena je hoort mij! Ik ben Iris. Ik zoek je al dagen. Ga voor het raam staan.-
Hoofdschuddend liep ik naar het raam. Iris! Welke Iris? Ik ken er een paar. Uit de storende radio hoorde ik: - Elena ik zie je!- Zoetjesaan klonk het bericht zuiverder. – Elena lees mijn e-mail, het zit in je Spambox. Vanaf nu kunnen we via e-mail communiceren.- Ik hief mijn armen omhoog en zwaaide. Er klonk gelach. –Elena je bent niets veranderd. Opgewekt als altijd. Ik hou van je.-
Ik glimlachte en wist meteen welke Iris mij zocht. Mij zocht? Mij gevonden had!
Op ‘Het Oog’ zong Nat King Cole You are the rainbow of my heart. Ik liep in het donker naar de badkamer. -Morgen komt er nog een dag Iris,- zei ik zacht, - nu maar eerst slapen.-
In bed luisterde ik naar een debatje over de opwarming van de aarde. De politicus wilde gelijk, maar kreeg het niet. De actievoerder had gelijk, maar kon het niet laten zien. De professor strooide met cijfers waar niemand naar luisterde. De presentator bedankte de drie heren. Een stem kondigde het laatste rubriekje aan: het is vijf voor twaalf.
Met een glas verse sinasappelsap in mijn linkerhand, zette ik mijn pc aan. Haalde zeven mails binnen. Printte die van Iris. Twee A4-tjes. Geen prietpraat. Iris viel meteen met de deur in huis. In het kort kwam het hierop neer. DE REGENBOOG WAS IN GEVAAR.
De kleuren vervaagden en vandaag of morgen zou er nergens meer een regenboog te zien zijn. HET WAS VIJF VOOR TWAALF. Iris reisde de wereld rond op zoek naar de juiste kleuren. In de omgeving van Cuzco had ze bruikbaar rood gevonden. Ze hoopte in de bergen van China de juiste kleur geel te vinden. De tijd drong, daarom vroeg ze mijn hulp. Blauw was mijn opdracht.
Ik mailde: waarom ik? Waarom blauw?
Ik kreeg direct antwoord: Het is te laat om vragen te stellen. Aan het werk. Nu!
Ja, dat was Iris ten voeten uit. Hoe was het toch mogelijk dat ze me weer wist op te sporen. Mijn achternaam veranderen hielp dus ook al niet.
Ik zie haar nog staan op de berg van de goden. Kleuters waren we. we speelden: regenboogje maken. -Kijk! Rood en geel was oranje,- zei ze. Met haar grote ogen keek ze me spottend aan. Ik zat er helemaal onder. Mijn handen geel, mijn voeten rood. Het huilen stond me nader dan het lachen. Zo ging het iedere dag. Ik wilde kleien. Dat kon ik goed. Paarden en zwanen waren mij specialiteit.
- Papa kijk!-
-Heel mooi kind!-
- Voor jou papa!- Iris liep met een boog om me heen. Ze haalde haar neus op voor klei.
-Vieze handen,- mompelde ze. Ik waste mijn handen en ging met haar mee. Regenboogjes maken. Alsof ik dáár geen vuile handen van kreeg.
- Ik was god en jij was boodschappenmeisje,- lachte Iris. Haar krullen schommelden rond haar hoofd. Daar ging ik met mijn mandje. Kleurstof kopen voor Iris.
- Je vergeet het geld!- Ze gooide een handvol schelpen naar me. Mijn vader keek hoofdschuddend toe. Te veel aan zijn hoofd: orakel consulteren; ruzies beslechten; bodes ontvangen; drinken met vrienden.
Ik liep naar de zee. De zee groette me zoet: - Dag Elena! Gaan jullie weer regenboogjes maken?- De zee schonk me gratis blauw. Ik huppelde weg. De aarde gaf me rood en de brem vulde mijn mand met geel.
Kleuren kopen was het leukst van het spel. Dan was Iris niet in de buurt. Ik speelde tikkertje met de wind. Buiten adem wuifde ik naar de zon. Ik stond op mijn schaduw. De zon had me kleiner gemaakt. -Maak me groter,- riep ik.
-Later, later,- zei de zon met een knipoog.
Nu had Iris mij weer nodig voor haar regenboogjes. Jammer voor Iris, ze moest het nu in haar eentje klaren. Ik dronk mijn glas sap leeg. Klikte op Beantwoorden. Tikte: Iris volgende week komt er een grote overzichtstentoonstelling van mijn beelden. Op het moment heb ik het erg druk. Kan je niet helpen.
Succes verder,
Elena.
Verzenden
Binnen één seconde en mail terug: ik kan niet zonder blauw.
Iris
Ik klikte op beantwoorden.
Probeer een boogje van rood, oranje, geel. Verzenden. Ik zette mijn pc uit. Ik moest me haasten. Om 10.00 uur had ik een afspraak met de galeriehouder Paris.
|
|
|