Zoete uren

Moeizaam kruip ik uit m’n cocon,
de wereld raast door radio 1.

Machthebbers zaaien angst:
grote gebaren zonder blikken of blozen.

Op zoek naar honing, schakel ik naar 4,
sla mijn vleugels uit, sms m’n lief.

Open de deur voor vrienden.

de r in de maand

ik tel de laatste akkerwinden
zie bijen gehaast
stuifmeel en honing oogsten
het najaar al in de korfjes

trekvogels sieren de lucht
met vreemde tekens
terwijl kastanjes voorzichtig
hun beroemde kleuren etaleren

de herfst dringt aan
de barometer staat op wind
wolken dollen grijs en grijzer
regenbuien trekken over stad en dorp

Ludwig noch Rossini houden
de donkere dagen tegen

blijf in mijn schaduw

Blijf in mijn schaduw,
totdat je de hitte verdraagt.
Totdat je weet van het ijs
en de wakken.
Geef me je hand totdat
je los kan lopen,
je kastelen door
de zee zijn meegenomen
je speelgoed op zolder is beland.

Je eigen weg
voetstappen op het strand.

muurbloem

In een hoekje kijkt ze
naar een rozenknop
hoe hij openbreekt
in de zon glanst
lonkt naar een bij

straks
prijkt hij in de vaas
achter het oor
op een revers

zij sluit zich in de schaduw

akkerwinde

eerst het gordijn een stuk opzij
ik hou mijn adem in
de verrukking
lila paars malve azuur
indigo purper bleumarin
opaalblauw violet turquoise
ultramarijn
hier en daar een enkel wit

tijd bevriest
hoe lang staar ik langs een kier
de fluitketel gilt me terug

buren wandelen
langs de dorpsschone
maken foto’s

gasten trek ik na een halfuur wachten los
van dit onbaatzuchtig bloeien
kom binnen
wees welkom

ongunstig weerbericht
ik hou mijn hart vast
de wind trekt de trompetten krom
regen slaat ze dicht
ik wacht af

voorzichtig pluk ik de gele bladeren
jaag ongedierte over de reling
staat ze niet te nat
te koud
te droog

herinnering aan Aruba

Denkend aan Aruba
zie ik woeste golven
breken op de rots
waarop ik geboren ben.
Mijn eiland
honderd miljoen jaar geleden
vulkanisch van aard
onder water ontstaan.
Al die tijd werd gewerkt
aan koralen en schelpen
waar ik later
dagen mee zoet kon zijn.
Zondags in de schaduw
van wilde druiven
picknicken met pa en ma.
Luiwammes spelen
in de kleurige hangmat
de zilte geur in m’n haar.
Schelpen rapen, kettingen rijgen,
juwelen waar goud bij verbleekt.

Dank aan Aruba.

voet op de rots

Nog even en ik zet voet op de rots,
vind de oude weg over basalt en dioriet.
De wind speelt misschien een melodie in
E groot,
Vivace ma non troppo.

Ik ga staan waar alle golven tieren,
verzin opnieuw mijn kindertijd.

oorlog en vrede

binnen en buiten pikkedonker
bundel kleren naast de deur
we zullen vluchten
dat staat vast

oorlog is een spel
we roepen
black out
black out
we kruipen lachend
onder de kale tafel

vrede heeft de kleur van
blauwe luchten
gouden draken
rode lampions en feestmuziek
we klappen
steken onze neuzen
in de jasmijn

vrede is een vaas met bloemen

de kleuren van het licht

(een ode aan de sociaal fotografen)

tijm langs het water
salie op de akkers
dille langs de paden
onder zon en sterren
hysop
en dan

de glimlach in de lens van Besnyö
de ogen van de twintigste eeuw

de gewonden van Robert Capa
de ruine’s van Cartier Bresson
de honger van David Seymour
de vuchtelingen
Ed van der Elsken
een litanie van licht in tranen

zal ik nog meer noteren

ja
om niet te vergeten
om nooit te vergeten
om nooit meer te vergeten

waar bleven de glimlach van Eva
de homo’s van Olaf
de sterren van Man Ray

de stilte staat gebeiteld

de stilte staat gebeiteld
in de koele avondnevel
geur van hooi en van kamille
stijgt uit de rode aarde
ik hou mijn adem in
wacht op de sterren die op weg zijn
met de sleutel van de nacht

geluk tussen twee wielen

de zomer kijkt even om

gebogen in de wind vliegen
over dijken en bruggen
zie de trekkers naar het zuiden
het gras bruin tuimelen

onrust op het water
snaterend opstuiven

de geur van september daalt
op mijn schouder
balanceert met losse handen

zonen van Zeus

zonen van Zeus
‘s nachts onzichtbaar
hun paraaf op muren
muren die brokkelen vol begrip
no god no master

overdag scheuren ze
op hun zonnewagens
haren wapperen onder de olijfbomen
helmen thuis of nergens
onsterfelijk spuiten ze de bergen wakker
no border no nation

Achilles lacht in zijn vuistje
from chaos to anarchy
druipt nog na

vloeibare tijd

een ander filter op mijn tijd
heden tikt verleden

afhankelijk
roei ik toch roekeloos
niets meer zeker
niets meer veilig
niets meer

toen slaat nu

Old San Juan

langs kleurige huizen stijg ik
op zoek naar
het blauw van zijn brieven
het geel van zijn vingers
het paars van zijn stappen
zijn omhelzing in rood
het groen van zijn lach
de geur van zijn handen

onder een eeuwenoude boom
zie ik hem zitten
turend naar de forten
de haven
ik denk aan de schepen
die hij achter zich verbrandde

afscheid

het went nooit zei hij
een maand geleden
wat zegt een mens dan
ik noem zijn naam
zeg
ik heb geen woorden
zoveel talen en geen tekst
noem weer zijn naam
hand op zijn schouder

winkelkarretjes denderen om ons
wij gaan opzij
hij vult zijn mand met roodmerk
ik haal bloemen

nu koopt zijn dochter koffie
er is een schema
ik mag nog een keer zwijgen

boom

eind november
verhuis ik mijn blauwspar naar acht hoog

1948
vader op zijn knieën
blaast leven in het 78-toeren-orkest
Bing Crosby hoopt op een witte kerst
breekbaar
de Yankeecultuur domineert het eiland
daken zonder schoorsteen weerhouden de oude niet
overal zweet hij in rood jasje bontomrand
jingle-bell-sleeën in namaak sneeuw
neuzen tegen etalageruiten

op cd
Perry Como
Doris Day
Eartha Kitt
compleet met nostalgisch gekraak

ik versier mijn spar met zangslingers
uit ieder klokje klinkt een naam
ballen weerspiegelen verhalen van weleer

ik rond mijn leven af

herfst

mijn kalender draagt nog één blad
de bomen volgen hem
strooien oker en karmijn

ik kan geen afscheid nemen
sta stil in bos en park
neem geuren mee
verzamel herfst
in de gouden gids
om te lezen
later

milonga voor Mercedes Sosa

onder je poncho schuilen velen
ze luisteren naar je trom
tellen de doden

je bezingt de vermisten
in de blauwe bloem
komen ze tot leven
je ontelbare broers
je prachtige zus
Libertad

de laatste woorden

'zie
de prinses treedt binnen
in al haar schoonheid
gekleed in brokaat
wordt ze naar haar koning geleid'

de laatste woorden
die je wilt horen op aarde
terwijl de wind doorraast
je adem meeneemt
naar de storm van morgen

een glinstergroene vlucht parkieten
krijst een afscheidsgroet
buitelt in tegenstroom naar de heuvels
de geur van awa maravilla gaat mee
naar de stilte van de grotten
naar de vragen die ik niet meer stellen kan


achthonderd kilo veren

uit de askolk gerezen
vliegt hij over de Eem
overziet pleinen en torens
op zoek naar Zwartwater

de laatste vonk toont de plek
hier heeft de vuurzee alle bomen
verzwolgen

stank van geschroeide veren
lekt uit de wind

op de gedoofde toren strijkt hij neer

Zwartwater verkoold
verdampt



(Bij de vogel van Armando)

zei je dat dit land

zei je dat dit land
ik hoor het
van jou

nog tussen roze lakens
herhaalt de zon
Marsman
Gorter en Gezelle
ontsluit vandaag
zover ik zien kan
hoor ik vogels

later
een karavaan onder paraplu’s
op weg naar markten
mijn tas vol brood en andere spijs
ogen gevuld met
het gewassen vergezicht

‘s avonds
slepen satijn in alle tonen
voorbij achthoog
ach wat zal ik schrijven
tussen raga’s en jasmijn

rust in dit land
je hoort het
ook van mij

ze schuilt in de krant

ze schuilt in de krant
van elke kolom druipt honger en dood
inktlippen
haar treurnis heeft de deadline
niet gehaald

ze schuift naar achter
stoelriemen vast
hier spreekt uw purser
is uw hoofd ontbloot
uw gezicht versierd met metaal
uw ledematen getatoeëerd
blijf dan aan boord

niemand kan haar tegenhouden
ze zal kruipen door de poort
stenen vermijden
het altaar besprenkelen met haar bloed
de hoofdrol aanvaarden in
Jonas en de vis

elke dag borduurt ze

elke dag borduurt ze aan een droom
omzoomt ze haar gedachten
waar zal ze veren vinden
dons
om kolibrie’s te scheppen
vogels die bevriezen
voor dag en dauw

waar zijn de gouden draden
de parels
namaak edelstenen
haar blik glijdt rafelig over de steken
van toen

dode vogels nestelen in haar dromen

misschien ver weg een regenboog
ogen sluiten
wachten op de nacht
nieuwe sterren knippen uit het niets
kralen uit een vreemde doos

geel en blauw

mijn balkon kleurt blauw
voorjaarsbollen op de catwalk

langs de weg
buigen gele trompetten
in noordoostenwind
ik wil ze toedekken
fiets toch maar door

op het perron
hoge schouders
omroepbericht
zonet is de lente ingestapt

voor August

ik zal nooit vergeten
hoe je me meenam
voorzichtig deed je een deur open
knikte dat ik verder lopen kon

ik dwaalde door
de wonderlijke wereld van Pessoa
vier schrijvers in een

vele malen klopte ik aan
op zoek naar ‘een waarheid
om te veinzen
om te ontkomen aan het niets ‘

gisteren vertrok je door de laatste poort

liefde met kleine fitting

liefde met een kleine fitting
vijftien Watt
meer was het niet

ze volgde hem naar zijn
hondenshows
opzitten en pootje geven
braaf
braaf
aaide ze afwezig
de koppen van haar concurrenten
trippelteefjes onder strikjes
geparfumeerde dekjes
gouden riemen

blaffen kon hij als de beste
grommen
bijten
in het donker

Ivan en de vuurvogel

Kijk
Ze strijkt neer op de gouden appelboom.
Balanceert op een dunne tak.
Vleugels, regenboog van veren
verblinden de tuin.
Haar hoofdtooi flirt met de wind.

Ivan sluipt,
houdt zijn adem in
hoopt.

Voorzichtig
heel voorzichtig
hapt de vogel een gouden appel

Ivan grijpt
te laat,
staart naar de veer in z’n hand.

De vuurvogel is los.

de dirigent

alsof hij het was
met gestrekte arm
ogen dicht
de stok bewoog
alleen voor wie het wist

ik zal leven

langs strakke snaren klinkt het
als een snik
stemmen kabbelen naar de explosie
naar
de wild besterde handen die**
op mijn deur bonzen**

zestig jaar later
staat die ander onder sterren
armen wijd
klaar voor het lied


** Uit CANTO GENERAL
Pablo Neruda
1949

de wind gaat met de jeugd voorbij

zo streelzacht als de wind speelt
in de groene jaren
rozengeur langs blote schouders voert
handenvol bewaren
voor later

zo rukt de wind
in dorre tijd
verwaait bloemen
rotting en verval
achteraf de oogst
log in de storm


(Bij de waaier:
De wind gaat met de jeugd voorbij

van Alfons Mucha
)

da capo

op een bankje in het park
zingt een vrouw
Marsman

de zon en de zee springen bliksemend open
wij gaan terug naar het paradijs

roze padden en rode merels
luisteren
naar een troostrijk geluid
ze weten niets van schepen
noch van blauwe matrozen
kleuren het lied eigenwijs in

in het namiddaglicht
vertrekken de dieren

zij neuriet haar toekomst
opnieuw

hoe je wachtte

hoe je urenlang wachtte
dagenlang
in de krater
as daalde op je hoofd
kleurde je wereld grijs
dode vogels vielen aan je voeten
de geur van verdriet
overal
je kleed van ruwe jute
schuurt
schrijnt

de pen werd niet opgehaald
de hoed ook niet
dat zijn van die dingen
eeuwig blijven ze liggen

op een goede dag
wachtte ik niet langer
ik kroop uit de krater
waste mijn hoofd
ik liet de hoed liggen
de pen werd mijn redding

Aïsha

Het leek wel herfst, ze vielen een voor een.
Alleen het kleurenfeest was niet in beeld.
In het zwart volgden wij de baren, koud als steen.
Hand in hand zochten we troost die heelt.

Daarna vlogen we weg, gingen uiteen.
Iemand die d’r leven voor het eerst penseelt,
zo voelde ik me. Moederloos alleen
zag ik in hun foto’s mijn evenbeeld.

In de lente kwam een geboortekaart.
Ontmoetten elkaar weer op kraambezoek.
Wiegden het kind, proostten en aten taart.

Bewonderden hobbelpaard en prentenboek.
Speurden naar gelijkenis, familieaard.
Alle ooms en tantes keken om de hoek.

kleur in het verschiet

een soort speldendruppels
sussen het water
glijden geluidloos grijs ineen

randen vol groen
zuigen
voeden
beloven kleur in het verschiet

ik droom geel
van lis
van plomp
van dotterbloem

24 januari 2008

De foto’s vertellen van een lied
Aan zee
Vader zingt tegen de golven in
De wind goochelt een sluier van wit zand
Lange schaduwen vlechten gelukkige wandelaars

Ik ben buiten beeld
Maar weet van schelpen in m’n zeef
Vanillageur van roomijs
Druppels op m’n blote buik

Schelpen op m’n vensterbank
Fluisteren flarden van het oude lied
In de regen trekken schimmen
Langs m’n raam

Alle namen noem ik

winter

de oliebollen-engeltjes
morsen poedersuiker
zo ver ik kijken kan
denk ik
de jongsten mogen weer eens helpen
toe
laat ze dat toch vaker doen

vleugellam

ik wou dat ze nog vliegen kon
ogen dicht
de onzekere wereld verlaten
zweven
chuchubi boven de regenboog

later kralen van de rozenkrans
omklemmen
angst verkruimelen
de hemelse moeder tot troost

haar zware lichaam nu op slot
bang onder klamme lakens
omringd door de witte macht


dagboeken

haar dagboeken rusten
ik stof er omheen
bekijk ze op afstand
blader in gedachten

oud en nieuw
ze wierookt de kamers
prevelt gebeden

verjaardag
de hele dag telefoontjes
verre streken
veel gekraak

moederdag
alle vazen vol met rozen
het huis te klein

bezoek aan de huisarts
moeizaam tikt haar stok
door de lange gang

opname

ik wil het weten
ik wil het niet weten

herfst

kleur mij nog een keer
de herfst van 1956
mijn ogen dronken het doré
van de platanen
het gala van de esdoorns
eiken en kastanjes

ver achter mij lagen woestijn tinten
op mijn knieën in de koude kerk
schoten ze weer omhoog
zakdoeken te kort

kleur mij nog een keer
de troost van 1956
de dukaten aan mijn voeten
de loper onder kalende bomen

kleur mij nog een keer
de weelde die ik nooit meer zag

het licht dooft

te gretig licht hij het anker
zijn ogen vol horizon
het licht talmt
kleurt blauw
tijd stroomt anglo geel van zijn jeugd
reuze cactussen
gekromde bomen
de eeuwige wind
zijn schip tolt

het licht versterkt de stilte

bijna

de zomer staat te trappelen
in volwassen groen
teenslippers uitgeschopt
op weg naar het water

een zwaluw uit zijn koers
knipt stukjes blauwe souvenir

een net van zilt bedekt de parasols
glinstert op blote lijven

meeuwen oefenen het welkomstlied

lente

mijn prunus maakt zich op
ik wacht en droom
de toon van suikerspinnen
tutu’s
muisjes
avondwolken

zijn ware tint zal mij
weer wekken

tanka

twee rozen in de
tuin, zachtgroeiend in een hoek
niemand die ze ziet
maar hun geur lokt bezoekers
men verwacht daar een bouquet

de tuin

de ranken te droog
om vrucht te dragen
de geur van cashew
al lang vervlogen
zijn vingers niet meer
als wormen in de grond
niet meer de wolken tellen
het stof verwensen
goochelen met de tuinslang

toch nog oogsten

danspaar

houdt elkaar vast
balanceert op een melodie
lang vervlogen

schaduw hangt over
versleten passen

tuurt steil
de afgrond in

laat mijn herinneringen

laat mijn herinneringen
nooit oplossen
in de woede van kwart voor zes,
behalve als ze stromen
in pastel
roze
lila
aquamarijn

dan wil ik opnieuw beginnen
niet weten wie ik was
niet weten waarom het kolken
me misselijk maakt
niet weten waarom de spetters
mijn tranen drogen
niet weten waarom ik zwart
omhels

skype

laatst was ze even terug
vacantie vieren in het land
waar ze een koffer
vol diploma's haalde

stralend met vrienden
slenteren door de oude steden
lachend hoedjes passen
op een terras dronken we het leven

gisteren kwam ze schuifelend
voorbij het onbeschaamde oog
een schim
haar hoofd glimmend
kaal
we wuiven naar elkaar
ogen dicht

mijn dag

TANKA

armen vol liedjes
brengt de ochtend mij zachtjes
op zijden slofjes
ik zing mee en bewonder
de veelkleurige zijde

de middag schuift licht
over mijn viooltjes en
ik wikkel het blauw
van hun heldere cadans
in mijn herinneringen

de avond treedt aan
legt stalen licht in mijn schoot
ik kan niet kiezen
mijn blik streelt de horizon
ik val weer voor de vlammen

de nacht buigt vermoeid
fluistert sterrentaal in mijn
oor, ik knik en sluit
het raam, noteer de code
mijn pen brengt rust als altijd

Een geur van gember

een geur van gember en kaneel
zet m’n oren op een kier
ik hoor het kinderlied
ban ban pasa un rondu *
en zie ons dansen in de kring

dit is pas het begin

het licht van vandaag verdwijnt in
de schaduw van morgen
schimmen naderen in processie
wierook wijst de richting
op weg naar dies irae
struikelend over
een huppelend kind

* kom in de kring

Merels

de merels
waar kwamen ze
zo plotseling vandaan
ik lette op de krekels
hun hiphop motief
deed me denken aan
moonwalk
Wild Style
aan zomers
rond het kampvuur
Dylan en gitaren

de diva’s namen het over
hun kelen van satijn
versierden de lucht
met tsjilpguirlandes

ze weten niets van mij
noch van Dylan
kampvuur en gitaren

in hun aria’s ouder dan
the times they are a-changin
meen ik ze één voor één
toch te herkennen
van avonden zonder
kampvuur en gitaren

koperen beertje

sprakeloos schuifelen
achter elkaar

klamme handen
gewend aan teddy-stof

aaien het harde koude beertje
't koperen beertje op de kist

bleke lippen prevelen
Stacy
Nathalie
Julie en
Mélissa

de kraai van Gouda

de kraai van Gouda krast de hemel schoon
’t geschrokken wit kruipt in een hoek
de stad opent zich als een prentenboek
eeuwenoude huizen zetten de toon

op deze plaats is echt niets gewoon
als een bejaarde in spijkerbroek
blijft de city jong gaat steeds op zoek
naar nieuwe kleren met jazzy patroon

kaas kaars plateel zijn er nog volop
maar zie de muzen gaan op de schop
spoedig is het met de negen gedaan

in lompen op vermoeide benen
laten ze ons achter hevig ontdaan
beginnen we weer van voren af aan

okertijd

geel kruipt waar
het niet gaan kan
citroenkuikens piepen zoet
kleuren het beeld
weken lang

narcis zoent zichzelf
gooit hoge ogen
zwiept in plantsoenen
en vazen
op servetten

de geur van dooiers
trekt door het land

Celia Cruz

stem I

ik kan je niet schilderen
in de kleuren van
rumba guajira en guaguanco
in de schittering van
pruiken en pailletten
ik kan je niet houwen
in de vormen van
bolero en de son montuno
in het geruis van
een caraïbische zonsondergang
maar ik kan je dansen
in het ritme van
azúcar
mijn voeten weven
jouw stem

stemII

jouw stem
met de echo van koko
met mango akkoorden
suikerriet tonen
ananas galm
jouw stem
prikkelende sinas
geurige meloen
welige granaat
jouw stem
amandel cadans
papaya syncope
guave trilling
tamarillo melodie
klaterende limoen
jouw stem
rinkelende shimaruku
kiwi klanken
jouw stem
azúcar

stemIII

conga en tumbadora tuimelen over
triangel en tamboerijn
bongo claves en maraca’s wentelen
de salsa kaleidoscoop
Cuba proest in ultramarijn
Venezuela bloost pauwblauw
Puerto Rico lacht azuur
koper schatert stuitert cirkelt
daagt jou uit
je wacht amarant
wiegt saffraan
stilte stijgt
en dan …
jouw stem
azúcar

licht

parfum van tijd
grijp schaduw in extase
wees voorwaarde van
zijn grillig bestaan
weerkaats de geur van lichtjaren
bepaal de kleurklank
de temperatuur
ontleed hem

blues

naaldwerk in m’n schoot
folklore
m’n gedachten zeilen met de
laatste steken over ’t blauw

leergierig kind met naald en draad
kleurige klosjes tot aan de horizon

designpiraten overal
een el gaat overboord

in ’t ruim koester ik
opnieuw
vergeten stiel

ze komen terug

ze komen terug
dat is zeker
baardloos vertrokken met ransel
de smalle rug nu nog recht
perron twee
richting
vorst en vaderland

ze komen terug
dat staat vast
de foto’s achter kaarsen
met bevende vlammen
bezweren de noodklok

al weer een week

haal terug


haal terug het moment,
desnoods het uur
de omhelzing in amber
gewogen woorden
desnoods de intonatie

het trillen van de stenen
oude patronen zonder voegwerk
het stof zonder clementie
dat opstijgt uit verdwenen stappen

lavendellicht

december 2005

alweer een jaar bij ‘t oud papier
de lichte dagen dwarrelen
in snippers rond
de logge tuimelen
in propjes neer
kleurige flinters
naast verkreukeld grijs
alweer een jaar bij ‘t oud papier

ik wist het

ik wist het door het licht zoals het viel
zoals het viel
op het iele groen in de vroege ochtend
ik wist het
het stille knikken van de klokjes
het zoemen van de eerste mug
ik zag het aan de lange schaduw op het plein
het plein dat steun zocht
bij de moegezakte huizen
ik voelde het aan de zon
de waterige zon op m’n gezicht
ik wist het
het zwoegen van de eksters
het zwijgen van de wind

zwijgen

zwijgen als het gras
onder koeien
onder helden
die trappen om geld

zwijgen als het gras
rond paleizen
monumenten
van heersers te paard

was ik het gras
dan liever het gras
onder koeien

versierd met klavertjes vier

de nevel kiert

de nevel kiert
terwijl de hoofdrolspeler
in stilte schminkt
het grijs rolt loom
spant strak
trekt alle ogen

van zwavel tot gort

ze kennen elkaar van zwavel tot gort
hun parfum van zwavel
sijpelt uit
beten en schrammen
uit leed

licht ontvlambaar
zijn beiden
met vuisten die meppen
ogen zo blauw
zo blauw

van zwavel
van kennen
van gort

mijn hart

mijn hart stort zich in
't goud van de platanen
in 't felle vlammen van de eik
de geur van zwammen voedt me

het grijs
de regen
in al zijn vormen
de rijk bedauwde draden
pakken me in

stil tuur ik naar de vogellinten
voor het eerst reis ik dit jaar niet mee
ik zie de ganzen zwenken

twijfel

stort mijn hart in 't goud van de platanen

voor anker

ik lig voor anker
't zeil gestreken
kan nergens heen
verrekijker opgeborgen

blader door m'n logboek:
ruik de ballast
blinde klippen
hondenwacht
hozen

de diepte lokt

its been years since the kids have grown

in de verlaten straten
kleven echo's van lang geleden
aan het zachte asfalt

nos ta bai Hulanda
den bapor franses

de chuchubi voorspelde het me
in het noorden lag toekomst

witte zwanen
zwarte zwanen

weer thuis
bukt mijn oude huis
blind van schaamte
de sleutel is gebroken
de deuren zijn op slot


reünie

milder
oprechte aandacht
grijzer ook
examenklas 1956
de violist vroeger geïsoleerd
nu middelpunt
de sproetenkop niet meer geplaagd
de schele
de dikke
Trijntje-trut
we lijken steeds meer op elkaar
gepensioneerd
druk bezig
een uitgedunde klas
dichter bij de horizon

voor L

dronken drijf ik
in je ogen
in het groen
dat lacht
waakt
toch slaapt

onder 'het oog'
weer wakker wordt
grijs
later
groen

haiku

als de prunus danst
oogverblindend rose zwiert
staat de wereld stil

cinquain

lente
kevers kruipen
zoeken een zonnestraal
schitteren in duizend kleuren
sieraad

doelloos

handen doelloos in zijn schoot
kransen aan zijn voeten
spreiden rozengeur
de kist is dicht

hij ziet haar in het rood

vlinder op honingreis
licht ving hij haar
liet haar weer los
handen doelloos in zijn schoot

brug in de regen

wanneer en hoe
ben ik terechtgekomen
op deze brug
zonder opstap
zonder doel

e
e
n

m
a
r
i
o
n
e
t

a
a
n

r
e
g
e
n
d
r
a
d
e
n

worstelend met de wind
kom ik
reis ik
ga ik
waarheen
waarom

(bij Van Gogh's brug in de regen vaar Hiroshige)

á la rococo

heupen als bongo's
krullen á la rococo
mijn familie doet daarin en gros
en ik
ben ik een vondeling

Mies van der Rohe Barcelona 1929

transparant
gestrekt in het land

ordening van licht en glas
binnen is buiten
vertikaal duurt het

tot de illusie
marmer
zwevend
ademnood

tot
de kern zich
opent
nieuwe
lichtjaren

morgen rekent af met
gebogen dromen

verwacht geen wachtwoord
wacht
gestrekt in het land

villanella voor Aart Both Goudse stadsdichter 2004

wakker is zijn pen, hij rust echt niet
weken, maanden, het hele jaar
woorden met een felle beat

uitgespeld Gouds verdriet
met dichter Both ben je nog niet klaar
wakker is zijn pen, hij rust echt niet

Den Haag bibbert, vraagt om krediet
Aart waarschuwt, tekent bezwaar
woorden met een felle beat

letters zwart als oergrafiet
regels schuimend en klinkklaar
wakker is zijn pen, hij rust echt niet

hij is de man die alles ziet
hij noteerde dit tropenjaar
woorden met een felle beat

ben je heilig of bandiet
hij fileert je, geloof me maar
wakker is zijn pen hij, hij rust echt niet
woorden met een felle beat

tijdtablet

van dit jaar is maar een morzel over
het brokkelt af
gestaag
tussen de brosse delen
zoek ik naar wat was
op de valreep
vind ik zeldzame stukken
vergeten
blaas het stof weg
tussen m'n vingers
etaleer
korrel voor
korrel

vijf dromen

vijf dromen
deinen doorzichtig

de vlieger die ik vast mag houden
even
verrukt volg ik zijn kleurige staart
slingerend naar de zon

op mijn buik in bed
Mother Goose
langzaam spellend kruip ik
langs de letters met een glimlach

hoge hakken
elegant wankel ik naar de spiegel
op weg naar denkbeeldige
grootse fiësta's

een sleutel schittert in m'n hand
sta voor het raam
ruik vloerbedekking verf en lijm
gooi kolen op het vuur

mijn potlood zet alles op een rij
voorzichtig tik ik aan een droom
een plons
vijf hengels groeten buigend
een oude vrouw


bij: Catching Dream
van Karterina Vincourova

koordloper

tijd trekt hem voort
drukte deert hem niet
links cultuur rechts politiek
laten hem koud
chaos
concentratie
tunnels lopen vol
lijn drie dobbert
nergens redding
de koordloper
rekt tijd


Bij: De man van Den Haag
Henk Visch

voor later

verlaat de plek
waar je navelstreng begraven ligt
sleep een koffer kleuren mee
een doos geluiden
geurenbundel
loop stoer door

je wiegelied
haalt je ooit weer in

vallen

kopie
in de lucht
formuleert vragen
aan model
op welke schaal hang ik
wat is spiegelen in rivier
kan ik in lucht spiegelen
lijkt drijven op hangen
hoe word ik
drup
steen

zestig jaar later

ik weet nog dat ze zei
je spartelde in de teil
wilde er niet uit
ze zei
ik kleedde je in een wit batisten jurk
je graaide naar het dons
dat je witte schoen omrandde
ze zei
om je hals hing ik een amulet
tegen het boze oog
ze zei
het was regentijd maar droog
de weg stoffig lang
zwaar woog je op m'n arm

vandaag zie ik het mollig kind
op een te grote stoel
vergeeld
verbaasd

rood versus blauw

strek je niet uit in het veld
waar blonde prinsessen dartelen
schuil
wacht

tot je bloed blauw genoeg is
groen desnoods
tel tot tien
snij in je vingers
laat je ontdekken


Bij: Zwarte prinses
van Hanna Mobach

Via Pasta

I
Roma Ciampino
il sole valt met bakken
kleedt ons uit
rond Orvieto tuiten mijn oren
druiven druiven druiven
het begin van zeven dagen
zoutloos brood en spelen

II
Toscana betovert
Italiaans design
Anita schetst Siena palio paarden
snuivend trappelend
de Campo bloost regenbogen

III
Irene quo vadis?
Vaticaan Pantheon Engelenburcht
Piazza Navona Foro Romano
via Sacra Colosseum

IV
Rust

V
op t.v. mummelt Johannes:
bedank foor die bloeme?
het is nog geen Pasen

engelen in Bolsena
paarse vleugels kleuren de luchten
boven het meer
meer dons lila dons waaiert
richting malagahoorn

VI
via hobbelwegen
zwemmen in legenden
duiken in mystiek
Spaanse trappen Trevi San Paolo
basiliek cappela Sistina
turen naar
Michelangelo's verlangen

VII
Etruskisch necropolis
jacht- dans- en banketscènes
maken hongerig
pizza quattro formaggio
tartufo toe

alfabetisch
quid est quid?
Aurelia Asissi Api
Bernini Borghese bacio
Caligula
Dom zus Dom zo
francobollo Flaminia Franciscus
Giotto Juno Jupiter
Lorenzo Loriana Leonardo
Marcus Minerva Papa pronto
Romulus Rafael
spaghetti
Tarquinia Transavia Tiberius
Umbrië
Vesta
XL
Zuavo

de zon zeilt purper in het meer
Est! Est! Est!

klaproos

verdwaald in het veld
één klaproos
twee

moment van schel festijn
rood zwart
memo
meer niet

JOA

parmantig
rafelig rechtop
grijs in zicht
grijs aanzicht
zwart drupt
d
r
u
p
t


nestelt in wit



bij JOA, collage van Philbert Charrin

lopen

behoedzaam blootvoets
nauwlettend zoeken
naar de tweede stap
evenwicht
doel
teken tot doorgaan


bij het beeld 'Lopen' van Anna Hulzink

pont de la grande jatte

nooit vergeten
die zomer
de lome Seine
de lage lucht oneindig kleurloos
de geur van lindebloesem
vlecht boom aan boom aan boom
innig
de paartjes op de brug
hoe wij lachten
zwaaiden naar de boten
roeiden onder de bogen
nooit vergeten
die brug
die kus


bij een schilderij van V.van Gogh

zaterdagvogel

zaterdagvogel stijgt oostwaarts
verlaat de rio grande
nazca woestijn
versteende kolibri
raadpleegt drieling
adviseren
overstappen op zondag
reserveren verplicht


bij een schilderij van Barrientos

wachten

warm wachten in de aarde
aandachtig luisteren of de lente
lichtgroen lachend langsloopt
bloembollen bont lokt
koket kale parken perken
kleurvol siert
pakkend paars
robuust rood
wichtig wit
geestig geel
blauw bla-bla
oriëntaals oranje

aandachtig
wachten tot de winter wijken wil

misschien

als de zon het wil
zullen we strooitje trekken
ik moet het nog dromen
al staat het in de wolken geschreven

dingen die bewegen
altijd licht vangen
meten anders

te laat


te laat aan je stoffig graf versierd met plastic bloemen
mijn korte schaduw rilt op het dorre land
hitte belet me niet te gaan
naar de keuken van mijn herinneringen
je bent nog jong
ruikt naar versgebakken brood
ik omhels je
dit is de tijd dat ik je nog begrijp
in het trillen van de lucht
zie ik je slapen grijzen
getekend door de ploegendienst
onrust vult de kamers
ik neem afscheid
dit is de dag dat ik je niet versta

mijn lange schaduw bedekt je graf
dit is het uur
dat ik je liefheb

voor L

verbaasd
lees en herlees ik je
vertrouwd
de klanken
lichtgeel strelend
exotisch melodieus

niet om aan te zien
zo nieuw

snowy mountains

snowy mountains

belichte toppen trillen in minivenster
kilimanjaro
fudjijama
everest
nevado
huascaran
het ijle steilgeplooide wit scherp stellen
sensibel vangen
verleng de sluitertijd
verstrooi wazige pieken
herhaal
herhaal Salgado Chambi Curtis
grendel deuren en ramen
ontwikkel één beeld

beklim de parnassus

dans

ik leef omdat ik dans
mijn hakken castanetten
op de catwalk van het zijn
ik spiegel me aan de gitaar
mannequin van flamenco puro
drager van beweging
toon ik
alegrias
bulerias
fandangos
soleáres
ik dans lovertjes licht
kanten schaduw
tule sterren
maanbrokaat
linten zee
ritsen mist
kralen dauw
ik strik de nachten
aan de dagen
ik dans

teken aan de wand

de late zon zet z'n fiets ondersteboven
hij vangt het licht met één hand
kaatst schimmen in het rond
geschiedenis bladert van de muren
de nieuwe tijd schrijft
kolosssale woorden

ik vang je

ik vang je in tegenlicht
wikkel je in mist
kom klittenband tekort

versier mijn voordeur

met het tikken van de klok
verkleuren de serpentines
mijn feestdis beschimmelt

zuñi girls at the river


gewikkeld in schaduw
aan de waterkant
los op het hoofd
de kruik
boordevol
drukkend
de blik berustend
handen onzichtbaar
leven stroomt
leven stroomt door


(bij een foto van E.S.Curtis)

Maria Susanna


in haar gouden monstrans
kijkt ze droef
naar wat ik vermoed
een halo van donkere vlechten
omlijst haar hoofd
onzichtbare sproeten
mijn grootmoeder
amper moeder geweest
bleek als de camee
op haar blouse
geen dertig tornado's oud
aan de zoom van haar leven

op het aanrecht zeebralicht

op het aanrecht zeebralicht
één jaloezie klapt dicht
half zeebralicht
maismeel kleurt zijn handen geel
stuift een aureool om zijn hoofd
kneden
rollen
rust
het brood rijst

ongeduldige kindervoeten
hinkelen de tijd voorbij
één groene tegel
twee wit
tot tien en weer terug

warme handen onder mijn kin
vóór hij het brood deelt
breekt mijn droom

mijn Arubaanse zee

als ze mij
met zeewier siert
schelpen aan mijn voeten legt
mijn badpak
natspat
puur uit baldidigheid
blauwgroen babbelt
ontroerend rood
afscheid neemt
weet ik
wij houden van elkaar

dertien marionetten

mijn marionetten draaien nu de rollen om
de koningin droogt m'n tranen met een zijden lap
kabouter Flip schijnt z'n lantaarn op m'n gezicht
je haren grijzen 't wordt tijd om touwtjes los te laten
de fee raakt met haar staf mijn natte wang
je hebt me gesouffleerd
je kent de toverspreuk
tientallen jaren regenbogen doen verschijnen
wolken verjaagd
de zon en maan verwisseld
gespeeld met bliksem sneeuw en storm
sterren gestrooid...

fluistert de fee

de wokkels van Waddinxveen

tussen gaan en komen
krult een groet
baken zonder zee
tuurt naar de hefbrug
die de show steelt

gitana

gitana

mi amor
ogen vol belofte
lippen op mijn huid
handen door mijn haar
schouder tegen schouder

ay dolor
waarom ging je zonder groet
hoeveel smart kan ik nog dragen
hoe vaak dansen zonder jou
hoe lang nog je geur ontberen

guitarra
ritme ransel ransel mij
crescendo bonkt en trilt mijn hart
staccato voeten in het stof
bitter worstelen mijn tranen

olé
alle dagen sleep ik leed
vertrap de grond
grijp ik handenheffend lucht
hemel troost mij troost mij niet


(bij een monodruk van Annemieke Aerssens)

de vrede heeft geen canapé

de vrede heeft geen canapé
hoog op haar tenen gaat ze
ogen op steeltjes om geen steen te missen

in de verloren kloosters kerken kathedralen
kun je nu fiesten stallen
in de galm van glas-in-lood

na de beeldenstorm bleef ik al sceptisch luisteren
klankschalen klokken muezzin muzak
overstemmen nooit terreur

een andere wereld

ik knielde voor je schildersezel
naakt
mijn ziel ook bloot
ik dacht:
je kleurt met manestralen
rozengeur
zoete penselen
maar van je doeken
keken mij gekwelde zielen aan
spoken en demonen
jouw koloriet:
haat en hoon
'k ontvluchtte je bizarre linnen
bloedstappen achterlatend

vandaag

vandaag
in het luchtledige
vleugellam
mijn hangplek kil
benen bengelen
ogen naar binnen open
mistroostig tikt mijn Jensen
zonder gang
met een zelfde spoed
vallen dicht
lichte dromen van toen
zware van nu

kootenai duck hunter

kootenai duck hunter

als het water glimlacht
de nevel jou omhelst
als 't riet jou groet
de wind je aanraakt
word je verdubbeld gelukkig


(bij een foto van E.S.Curtis)

zeefruit

zeefruit

oogverblindend rood
uitbundig brons
lichtend geel
venijnig groen
roze glazig
aandoenlijk
in de pick-up van mijn vader
wij drommen er omheen
staren in opaal ogen
dood
hoor
vrouwen met emmers
de mannen tillen de netten
de galm van zeewind in hun lach

het spectrum verschrompelt

het spectrum verschrompelt
stolt
ontloopt de regenboog
maar biedt de sterren entourage
geeft gesteente naam
vlekt het vee
kruipt in merelveren
vult de vlierbes
speelt niet met het licht
maar rouwt

vice versa

vice versa

op mijn galerij denk ik aan je kolibrie
hoe je sierlijk je ballet uitvoert volgens
eeuwenoude choreografie 's morgena
op mijn veranda door tropensymphonie

van palmen en passaatwinden begeleid
een zoet ontbijt biedt je de chinese roos
ik staar steeds weer naar je telkens ademloos
toch raak ik daar de hangende mees niet kwijt

die in de winterse kou op mijn balkon
als een volleerde acrobaat aan een snoer
pinda's voor mij zijn kapriolen verzon

zo pendel ik in gedachte van noord naar
zuid lig ik in mijn hangmat met veel leesvoer
en rum-cola dorst ik hier opnieuw naar daar